Bij perifere blocks worden de zenuwen perifeer verdoofd, wat wil zeggen dat lokale verdovingsmiddelen langs het verloop van de te verdoven zenuw worden toegediend. In tegenstelling tot de centrale blocks, bestaat hier de mogelijkheid slechts één of een paar zenuwen te verdoven en bijgevolg de verdoving te beperken tot het te opereren lichaamsgedeelte.
Om de zenuw op te zoeken wordt gebruikt gemaakt van een speciale naald die verbonden is met een "zenuwstimulator". Deze zenuwstimulator is een toestel dat kleine electrische impulsen geeft waarmee de te verdoven zenuw gestimuleerd wordt. Hierdoor kan de anesthesist de zenuw vinden en de lokale verdovingsmiddelen toedienen.
De electrische impulsen van de zenuwstimulator zijn niet pijnlijk. Ze veroorzaken enkel een samentrekking van de spieren die door de gestimuleerde zenuw worden bezenuwd. Het is een vreemde ervaring sommige spieren samentrekken zonder dat men daar controle over heeft.
Het verdoven van perifere zenuwen heeft het voordeel dat slechts het te opereren gedeelte wordt verdoofd en dat de verdoving een heel lange tijd kan blijven werken (tot 24u). De nadelen zijn wel dat een 100% verdoving niet kan worden gegarandeerd, dat de techniek omslachtig is en dat ze enige expertise vergt. Zij is dus niet de eerste keuze techniek maar wordt op indicatie uitgevoerd. Elke anesthesist zal overwegen of het de moeite loont een perifere zenuw te blokkeren in samenspraak met de patiënt en de chirurg.
Soms kan een catheter worden aangebracht ter hoogt van de zenuw die de te opereren streek innerveert. Het voordeel van deze techniek is dat er herhaaldelijk lokale verdovingsmiddelen kunnen worden toegediend om de pijn langdurig te onderdrukken.
Een aparte plaats wordt ingenomen door het "Bierblock". Deze techniek, waarbij de verdovingsproducten in de ader worden gespoten, kan worden gebruikt bij chirurgie van de hand, de pols en de voorarm.
Volgende perifere zenuwen kunnen in onze instelling plaatselijk worden verdoofd:
- Interscaleen block (in de hals): bij ingrepen aan de schouder
- Infraclaviculair block (onder het sleutelbeen): bij ingrepen aan de elleboog, de onderarm en de hand
- Axillair block (in de oksel): bij ingrepen aan de elleboog en onderarm
- Femoraal block (in de liesplooi): bij zware knieoperaties, meestal gecombineerd met een ischadicusblock
- Ischiadicus block (in de bilspier): bij zware knieoperaties, meestal in gecombineerd met een femoraalblock
- Popliteaal block (in de knieholte): bij operaties aan de enkel en de voet
- Enkel block (rond de enkel): bij operaties aan de voet (wordt zelden uitgevoerd)
klik op onderstaande figuur om meer uitleg te krijgen over de verschillende blocks.


